Uitspraak
.Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2002 bijstand op grond van de WWB en diende in 2012 een aanvraag in voor bijzondere bijstand ter aflossing van een schuld bij het energiebedrijf Enexis. Dit naar aanleiding van het afsluiten van de stroomvoorziening vanwege een aangetroffen hennepkwekerij op haar adres. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo wees de aanvraag af omdat bijstand voor schulden niet wordt verleend, tenzij zeer dringende redenen zich voordoen, wat niet het geval was.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat haar COPD en longemfyseem, in combinatie met de beperkte stroomvoorziening, haar gezondheidssituatie ernstig hadden verslechterd en dat zij daardoor in een noodsituatie verkeerde. Tevens kon zij de schuld niet voldoen vanwege haar financiële situatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen procesbelang had bij het hoger beroep voor de volledige stroomaansluiting, maar wel voor de vergoeding van gemaakte kosten in bezwaar. De Raad bevestigde dat bijstand voor schulden slechts wordt verleend bij zeer dringende redenen, die een acute noodsituatie vereisen. Uit de medische verklaringen bleek niet dat appellante zich in een levensbedreigende situatie bevond of blijvend ernstig letsel zou oplopen door de beperkte stroomvoorziening.
De financiële situatie van appellante werd niet als zeer dringende reden aangemerkt. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand wordt bevestigd wegens ontbreken van zeer dringende redenen.