Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5035

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-854 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWBFaillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor salariskosten bewindvoerder bij schuldsanering

Appellant, die onder de schuldsaneringsregeling viel, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Emmen om bijzondere bijstand voor de salariskosten van zijn bewindvoerder. Het college wees dit verzoek af omdat volgens hen deze kosten pas na beëindiging van de schuldsanering betaald hoeven te worden en er geen noodzaak was voor bijstand.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door zijn inkomen onder de beslagvrije voet niet in staat was de maandelijkse boedelbijdrage te betalen en dat het onredelijk was dat hij na beëindiging van de schuldsanering met een nieuwe schuld zou worden geconfronteerd.

De Raad oordeelde dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand werd gevraagd zich niet daadwerkelijk voordeden omdat appellant niet gehouden was een minimale maandelijkse bijdrage te betalen bij een inkomen onder de beslagvrije voet. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor de salariskosten van de bewindvoerder.

Uitspraak

11/854 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 december 2010, 10/242 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)
Datum uitspraak: 4 december 2012
ROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Horsten-van Gemeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23 oktober 2012, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij vonnis van de rechtbank Assen van 26 oktober 2009 is ten aanzien van appellant de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
1.2. Op 19 november 2009 heeft appellant bij het college een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de salariskosten van de bewindvoerder ten bedrage van € 48,79 per maand. Bij besluit van 11 januari 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 maart 2010 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat indien de kosten voor het salaris van de bewindvoerder niet kunnen worden voldaan uit het inkomen, deze pas hoeven te worden betaald na beëindiging van de schuldsanering, zodat er geen noodzaak is voor het verstrekken van bijstand voor deze kosten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Gelet op de op hem van toepassing zijnde beslagvrije voet, is het voor hem onmogelijk om de maandelijkse boedelbijdrage ten behoeve van het bewindvoerderssalaris te betalen. Wanneer de rechtbank te zijner tijd de opheffing van de schuldsanering uitspreekt en daarbij tevens het salaris van de bewindvoerder bepaalt, zal er onvoldoende saldo op de boedelrekening aanwezig zijn om het salaris te voldoen. Appellant zal dan direct na het beëindigen van de schuldsanering met een nieuwe schuld - aan de bewindvoerder - worden geconfronteerd. Appellant acht deze ontwikkeling ongewenst en onredelijk. Het is mede om die reden noodzakelijk dat het college aan hem bijzondere bijstand verleent ter voldoening van de maandelijkse boedelbijdrage ten behoeve van het bewindvoerderssalaris.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald, voor zover hier van belang, dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij de toepassing van deze bepaling dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.
4.2. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB omdat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich niet daadwerkelijk voordoen.
4.3. Vast staat dat appellant ten tijde hier van belang een inkomen had dat de beslagvrije voet niet overtrof. Anders dan appellant veronderstelt, is hij dan niet gehouden een - minimale - maandelijkse bijdrage te betalen. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 29 juni 2010, LJN BM9799 en 21 juni 2011, LJN BR0338), is het in strijd met de Faillissementswet om van appellant te verlangen dat hij een minimale maandelijkse boedelbijdrage betaalt indien zijn inkomen de beslagvrije voet niet overtreft.
4.4. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.3 doen de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd zich bij appellant niet daadwerkelijk voor. Indien appellant desondanks de minimale boedelbijdrage heeft betaald, zijn deze kosten zonder noodzaak gemaakt. Vergelijk de uitspraken van de Raad van 21 juni 2011, LJN BR0338 en 29 november 2011,
LJN BU6961.
4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) N.M. van Gorkum
HD