ECLI:NL:CRVB:2012:BY5186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens onvoldoende duidelijkheid over feitelijke woon- en leefsituatie
Appellant diende op 15 januari 2010 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij hij aangaf te wonen op een bepaald adres. Later gaf hij aan te zijn verhuisd naar een ander adres, waar hij ook werd ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Vanwege onduidelijkheden over zijn woonsituatie voerde het college gesprekken en telefonisch contact met appellant.
Op basis van deze bevindingen werd de bijstand toegekend tot 23 februari 2010 en ingetrokken vanaf 24 februari 2010. Het bezwaar van appellant tegen deze intrekking werd door het college ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit besluit. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk woonachtig was op het nieuwe adres en dat hij zijn inlichtingenverplichting niet had geschonden.
De Raad oordeelde dat de feitelijke woonplaats moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waarbij de inschrijving in de GBA niet doorslaggevend is. Tijdens het onderzoek bleek dat appellant feitelijk verbleef op het adres van zijn vriendin en dat het opgegeven adres slechts een postadres was. Hierdoor had appellant onvoldoende duidelijkheid verschaft over zijn woon- en leefsituatie en daarmee zijn inlichtingenverplichting geschonden.
Omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij bij correcte naleving van de inlichtingenverplichting recht op bijstand zou hebben gehad, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege onvoldoende duidelijkheid over de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant.