ECLI:NL:CRVB:2012:BY5460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening Wajong-uitkering en nieuw gebleken feiten
In deze zaak heeft appellante, geboren op 6 augustus 1970, een Wajong-uitkering aangevraagd op 14 maart 2005, welke aanvraag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op 14 juni 2005 werd geweigerd. De reden voor de weigering was dat appellante op en na haar 18e levensjaar minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor het besluit in rechte vaststaat. Op 5 februari 2007 heeft appellante het Uwv verzocht om herziening van het besluit van 14 juni 2005, maar dit verzoek werd op 3 juni 2008 afgewezen. De Centrale Raad van Beroep heeft in een eerdere uitspraak geoordeeld dat er geen sprake was van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die een herziening rechtvaardigden.
Op 23 maart 2010 heeft appellante opnieuw verzocht om herziening, ditmaal met nieuwe medische stukken van haar behandelaars. Het Uwv heeft echter in een besluit van 25 januari 2011 het bezwaar van appellante tegen een eerder besluit ongegrond verklaard, wederom met de stelling dat er geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden waren. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep heeft deze uitspraak bevestigd.
De Raad overweegt dat de door appellante ingediende stukken geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden opleveren in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De deskundige van de rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de nieuwe medische rapporten niet leiden tot een wijziging van de eerder vastgestelde beperkingen. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellante afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder aanleiding voor een proceskostenveroordeling.