ECLI:NL:CRVB:2012:BY5460

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-7278 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening Wajong-uitkering en nieuw gebleken feiten

In deze zaak heeft appellante, geboren op 6 augustus 1970, een Wajong-uitkering aangevraagd op 14 maart 2005, welke aanvraag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op 14 juni 2005 werd geweigerd. De reden voor de weigering was dat appellante op en na haar 18e levensjaar minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor het besluit in rechte vaststaat. Op 5 februari 2007 heeft appellante het Uwv verzocht om herziening van het besluit van 14 juni 2005, maar dit verzoek werd op 3 juni 2008 afgewezen. De Centrale Raad van Beroep heeft in een eerdere uitspraak geoordeeld dat er geen sprake was van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die een herziening rechtvaardigden.

Op 23 maart 2010 heeft appellante opnieuw verzocht om herziening, ditmaal met nieuwe medische stukken van haar behandelaars. Het Uwv heeft echter in een besluit van 25 januari 2011 het bezwaar van appellante tegen een eerder besluit ongegrond verklaard, wederom met de stelling dat er geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden waren. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep heeft deze uitspraak bevestigd.

De Raad overweegt dat de door appellante ingediende stukken geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden opleveren in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De deskundige van de rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de nieuwe medische rapporten niet leiden tot een wijziging van de eerder vastgestelde beperkingen. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellante afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

11/7278 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 november 2011, 11/943 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 7 december 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2012. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.2. Appellante, geboren op 6 augustus 1970, heeft op 14 maart 2005 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jongehandicapten (Wajong) aangevraagd. Bij besluit van 14 juni 2005 heeft het Uwv geweigerd om een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat appellante op en na haar 18e levensjaar - 6 augustus 1988 - minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend, dit besluit staat in rechte vast.
1.3. Op 5 februari 2007 heeft appellante het Uwv verzocht om het besluit van 14 juni 2005 te herzien. De weigering van het Uwv van 3 juni 2008 om het besluit te herzien heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 12 maart 2010, LJN BL7386. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 3 juni 2008 terecht ongegrond heeft verklaard, omdat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.
2.1. Op 23 maart 2010 heeft appellante het Uwv opnieuw verzocht om het besluit van 14 juni 2005 te herzien. Bij dit verzoek heeft zij een rapport van psycholoog F. van Berkel (zonder datum), dat is aangevraagd door psychiater C. van Dijck in juli 1992, en een brief van Peter Notten (zonder datum) ingediend.
2.2. Bij besluit van 25 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 augustus 2010, waarin het Uwv heeft besloten om niet terug te komen van het besluit van 14 juni 2005 vanwege het ontbreken van nieuw gebleken feiten en omstandigheden, ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort samengevat - geoordeeld, onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Raad over herhaalde aanvragen als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. De bij het nieuwe verzoek door appellante ingediende stukken geven mogelijk blijk van een niet eerder gestelde diagnose, maar kunnen niet leiden tot aanpassing van de beperkingen die destijds voor appellante zijn vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 mei 2005. De rechtbank verwijst naar de rapportage van 27 juli 2011 van de door haar benoemde deskundige zenuwarts/psychiater D.H.J. Boeykens.
4. In hoger beroep heeft appellante haar beroepsgronden herhaald. Zij is van mening dat de door haar ingebrachte medische stukken van haar behandelaars Van Berkel en Notten wijzen op forsere beperkingen dan eerder zijn aangenomen. Zij kan zich niet verenigen met hetgeen door deskundige Boeykens hierover is gesteld. De bevindingen van Van Berkel en Notten, structureel onvermogen tot sociaal functioneren, geringe stressbestendigheid, psychotisch, labiel, incompetent, borderline en mogelijk schizofrenie, zijn niet eerder, aldus, op zichzelf en in combinatie met elkaar te berde gebracht.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak slaagt niet. De beoordeling door de rechtbank van het bestreden besluit is juist. Appellante heeft in hoger beroep geen gronden ingediend die niet reeds door de rechtbank zijn besproken en beoordeeld. De rechtbank heeft juist geoordeeld dat de door appellante bij het herzieningsverzoek overgelegde stukken geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden opleveren in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het door appellante ingediende rapport van psycholoog Van Berkel is een vervolgonderzoek aangevraagd door psychiater Van Dijck, van wie zich een rapport van 19 augustus 1992 in het dossier bevond ten tijde van de Wajong-aanvraag. De rechtbank heeft terecht haar deskundige gevolgd, die tot de conclusie is gekomen dat de door appellante ingediende stukken niet tot het aannemen van meer en/of zwaardere beperkingen moeten leiden op de FML van 24 mei 2005 en er zodoende geen sprake kan zijn van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.
5.3. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) G.J. van Gendt
JvC