ECLI:NL:CRVB:2012:BY6011
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bedrijfskapitaal op grond van Bbz 2004 wegens niet-zelfstandigheid
Appellante exploiteerde sinds 1998 een nagelstudio, maar was sinds 2005 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering met toeslag. Zij vroeg bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor bedrijfskapitaal ter herstart van haar bedrijf. Het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf adviseerde afwijzing wegens onleefbaarheid van het bedrijf.
Het college wees de aanvraag af omdat appellante niet in omstandigheden verkeerde waarin zij niet over middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, zoals bedoeld in artikel 11 WWB Pro. Ook werd gesteld dat zij niet als zelfstandige kon worden aangemerkt omdat haar inkomen boven de bijstandsnorm lag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellante niet als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 kan worden beschouwd, omdat zij niet afhankelijk is van arbeid in eigen bedrijf voor haar bestaan. Hierdoor komt zij niet in aanmerking voor bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal.
De Raad stelde vast dat het beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijstand voor bedrijfskapitaal wordt afgewezen omdat appellante niet als zelfstandige wordt aangemerkt en voldoende inkomen heeft.