ECLI:NL:CRVB:2012:BY6416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Verblijfsrecht en kinderbijslag voor ouder van derde land op grond van EU-burgerschap kind
Appellante, met de Surinaamse nationaliteit, woont sinds 1998 in Nederland en is moeder van een kind met de Nederlandse nationaliteit. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag toe te kennen vanwege haar verblijfsstatus. De Raad oordeelt dat eerst moet worden vastgesteld of appellante op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een verblijfsrecht kan ontlenen aan het EU-burgerschap van haar kind.
De Raad verwijst naar de arresten Ruiz Zambrano en Dereci van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is bepaald dat een verblijfsrecht kan voortvloeien uit het feit dat het kind als EU-burger anders gedwongen zou worden het grondgebied van de Unie te verlaten. De Svb moet in overleg met de staatssecretaris onderzoeken of deze situatie zich voordoet.
Indien geen verblijfsrecht kan worden ontleend, mag appellante worden uitgesloten van de verzekering voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De Raad vernietigt de bestreden besluiten en draagt de Svb op nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De bestreden besluiten worden vernietigd en de Svb moet nieuwe beslissingen nemen waarbij het verblijfsrecht van appellante op grond van artikel 20 VWEU wordt onderzocht.