ECLI:NL:CRVB:2012:BY7033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij arbeidsinschakelingsverplichtingen
Appellant ontvangt sinds 1999 bijstand en kreeg bij besluit van 29 mei 2008 arbeidsinschakelingsverplichtingen opgelegd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Het college heeft het bezwaar tegen dit besluit bij besluit van 14 oktober 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond verklaard, waarbij werd overwogen dat er geen dringende redenen waren om appellant tijdelijk te ontheffen van de arbeidsverplichtingen.
Appellant stelde zich op het standpunt dat reïntegratie op medische gronden niet mogelijk was en verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. De Raad stelde ambtshalve de vraag of appellant voldoende procesbelang had bij het hoger beroep. Uit de stukken bleek dat het college appellant bij besluit van 30 oktober 2012 tot 30 oktober 2015 heeft ontheven van de arbeidsverplichtingen.
De Raad oordeelde dat appellant geen resultaat kan bereiken met het hoger beroep en dat een louter formeel of principieel belang onvoldoende is voor procesbelang. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat het niet ging om een verplichting tot uitbetaling van een geldsom. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.