ECLI:NL:CRVB:2012:BY7279
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en gezamenlijke huishouding
Verzoekster ontving bijstand op grond van de WWB, maar deze werd ingetrokken omdat zij niet had gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met de vader van haar kinderen. Na een onderzoek met observaties en een huisbezoek concludeerde het dagelijks bestuur dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Verzoekster stelde dat het huisbezoek onterecht was en dat haar verklaringen onder druk waren verkregen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er een redelijke grond was voor het huisbezoek, mede vanwege eerdere weigering van verzoekster om informatie te verstrekken en de vastgestelde feiten zoals het gebruik van een auto en het samenwonen. De verklaring van verzoekster tijdens het huisbezoek werd geaccepteerd ondanks het ontbreken van 'informed consent' en ontkenningen, omdat er geen concrete aanwijzingen waren van intimidatie of onjuistheden.
De Raad bevestigde dat verzoekster en de vader van haar kinderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dus een gezamenlijke huishouding voerden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat verzoekster sinds februari 2012 geen bijstand meer ontvangt en geen spoedeisend belang bestond.
De uitspraak bevestigt de intrekking van de bijstand en benadrukt het belang van correcte informatieverstrekking en het recht van het bestuursorgaan om huisbezoeken te verrichten bij gegronde twijfel aan verstrekte gegevens.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en het voeren van een gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.