ECLI:NL:CRVB:2009:BK4060
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Beoordeling huisbezoek en gezamenlijke huishouding bij aanvraag bijstand
Appellant had een aanvraag om bijstand gedaan die door het College werd afgewezen vanwege vermoedens van onjuiste woon- en leefsituatie. Na bezwaar en een huisbezoek door handhavingsspecialisten waarbij appellant en betrokkene werden gehoord, concludeerde het College dat sprake was van wederzijdse verzorging en financiële verstrengeling, wat wijst op een gezamenlijke huishouding.
Appellant stelde in hoger beroep dat het huisbezoek een strafrechtelijke maatregel was en dat de afwijzing een punitieve sanctie betrof, en dat daardoor de resultaten van het huisbezoek niet gebruikt mochten worden. De Raad oordeelde echter dat het huisbezoek een noodzakelijk controlemiddel is binnen de WWB en geen strafrechtelijke procedure betreft. Wel was er sprake van een inbreuk op het huisrecht wegens gebrek aan volledige "informed consent", maar dit maakte het gebruik van de bevindingen niet onrechtmatig.
De Raad bevestigde dat appellant en betrokkene een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor appellant als gehuwd werd aangemerkt en geen recht had op bijstand als alleenstaande. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant en betrokkene een gezamenlijke huishouding voeren en dat het huisbezoek geen strafrechtelijke maatregel is, waardoor de afwijzing van de bijstandsaanvraag terecht is.