ECLI:NL:CRVB:2012:BY7870
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ambtshalve toekenning AOW-pensioen met langere terugwerkende kracht
Appellante, vertegenwoordigd door haar zoon, stelde hoger beroep in tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om het AOW-pensioen slechts met terugwerkende kracht vanaf oktober 2007 toe te kennen. De Svb had meerdere malen geprobeerd appellante te bewegen een aanvraag in te dienen, maar dit gebeurde pas in oktober 2008 via haar zoon.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat geen sprake was van een bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigde en dat het ambtshalve toekennen van het pensioen niet verplicht was. Appellante voerde in hoger beroep onder meer een beroep op het Unierecht, het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsrecht onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Raad oordeelde dat er geen medische of andere gegevens waren die aannemelijk maakten dat appellante gedurende ruim twee jaar niet in staat was haar belangen te behartigen. De bevoegdheid tot ambtshalve toekenning is beperkt tot in het buitenland wonenden met een uitkeringsrelatie, en niet ingezetenen. Er was geen aanknoping met het Unierecht, zodat prejudiciële vragen niet aan de orde waren. Ook het beroep op de Europese Code en richtlijnen faalde. Ten slotte werd geoordeeld dat de terugwerkende kracht van één jaar geen onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht vormde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het AOW-pensioen wordt toegekend met terugwerkende kracht vanaf één jaar voorafgaand aan de aanvraag.