ECLI:NL:CRVB:2012:BY8073
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- M.C. Bruning
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering
Appellante ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering en heeft later een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd die met terugwerkende kracht werd toegekend vanaf 1999. Het UWV herzag daarop haar WAO-uitkering met terugwerkende kracht, waarbij het bedrag werd aangepast op grond van Europese regelgeving.
De rechtbank had de herzieningsbesluiten vernietigd, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. In hoger beroep betwistte appellante onder meer de toepassing van artikel 22a van de Werkloosheidswet (dat zij onjuist achtte) en stelde dat de herziening in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en dat de vordering was verjaard.
De Raad oordeelde dat artikel 36a van de WAO van toepassing is en dat herziening met terugwerkende kracht niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Appellante kon objectief weten dat zij aanspraak had op een Duitse uitkering die gevolgen had voor haar WAO-uitkering. Het UWV had het beleid consistent toegepast en de vordering was niet verjaard. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht bevestigd.