ECLI:NL:CRVB:2013:1039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid zonder geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant ontving sinds 2003 een WAO-uitkering en was vanaf 2005 werkzaam als medewerker bij een kringloopwinkel. Na zijn ontslag op staande voet wegens diefstal in december 2010, werd zijn WAO-uitkering verlaagd wegens verwijtbare werkloosheid. Appellant maakte bezwaar tegen de duur van deze verlaging, waarop het bezwaar deels werd toegewezen door het Uwv.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het Uwv bevoegd was de uitkering te verlagen op grond van artikel 44 van Pro de WAO. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de brief van het Uwv onvoldoende concreet was. Ook speelde het al dan niet passend zijn van arbeid geen rol bij de verlaging.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er was geen ondubbelzinnige toezegging van het Uwv en het onderzoek naar passende arbeid was niet relevant voor het bestreden besluit. Het hoger beroep werd verworpen en de verlaging van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd en het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen.