ECLI:NL:CRVB:2013:1107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens verzwegen bankrekeningen
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand sinds maart 2006. Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst over rentebijschrijvingen op twee niet opgegeven bankrekeningen van appellant, startte de gemeente Rotterdam een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand.
Uit het onderzoek bleek dat het saldo op deze rekeningen bij aanvang van de bijstand ruim €12.000 bedroeg en dat er regelmatig stortingen plaatsvonden. Het college besloot daarom de bijstand over verschillende periodes te herzien en deels terug te vorderen, omdat het vermogen inclusief de tegoeden op de niet opgegeven rekeningen hoger was dan het toegestane vrij te laten vermogen.
Appellanten voerden in hoger beroep aan dat de tegoeden op de rekeningen grotendeels toebehoorden aan E., de broer van appellant, die illegaal in Nederland verbleef en geen eigen bankrekening kon openen. Zij stelden dat zij het geld slechts in bewaring hielden. De Raad oordeelde echter dat het enkel op naam staan van appellant van de rekeningen de veronderstelling rechtvaardigt dat het vermogen aan appellanten toebehoorde. Appellanten slaagden er niet in dit te weerleggen, omdat zij geen objectieve en verifieerbare stukken konden overleggen en de verklaringen en reconstructies onvoldoende duidelijkheid boden.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, verklaarde het hoger beroep ongegrond en wees de vordering van appellanten af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.