ECLI:NL:CRVB:2013:1116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij samenwoonde met appellant, haar voormalige echtgenoot, zonder dit te melden. De sociale recherche voerde een dossieronderzoek en onaangekondigde huisbezoeken uit, waarbij appellante op het adres van appellant werd aangetroffen en verklaarde daar te wonen sinds augustus 2009.
Het college trok de bijstand over de periode van 18 september 2009 tot en met 31 mei 2011 in en vorderde de kosten terug, mede van appellant. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellanten in hoger beroep gingen. Zij voerden onder meer aan dat appellante psychisch niet in orde was en dat het waterverbruik als bewijs onvoldoende was.
De Raad oordeelde dat appellante aan haar verklaring gehouden kan worden, omdat de stelling van psychische onmacht onvoldoende onderbouwd was. Het feit dat zij samen kinderen hebben, maakt dat de hoofdvraag was of zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De onderzoeksbevindingen, inclusief het waterverbruik en de staat van de woning van appellante, ondersteunden het standpunt dat de gezamenlijke huishouding op het adres van appellant plaatsvond.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De beslissing werd uitgesproken door O.L.H.W.I. Korte op 23 juli 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.