Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 944,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- wordt geheven.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving sinds 2006 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een interne melding startte de gemeente Zaanstad een onderzoek naar haar woonsituatie en concludeerde dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar vriend. Op basis hiervan werd de bijstand per 1 november 2010 ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het intrekkingsbesluit, omdat niet was vastgesteld dat betrokkene en haar vriend hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De gemeente ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gemeente niet aannemelijk had gemaakt dat betrokkene en haar vriend daadwerkelijk samenwoonden. De vriend stond op een ander adres ingeschreven, had weinig persoonlijke bezittingen in de woning van betrokkene en verbleef er niet gemiddeld meer dan de helft van de nachten. Ook het feit dat hij haar hielp bood onvoldoende bewijs voor samenwoning.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de gemeente in de proceskosten. De vraag naar wederzijdse zorg en de inlichtingenverplichting bleef onbesproken omdat samenwoning niet was vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene en haar vriend geen gezamenlijke huishouding voerden en vernietigt het intrekkingsbesluit niet.