ECLI:NL:CRVB:2013:1212
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onrechtmatige inkomsten
Appellant ontving sinds 1996 bijstand op grond van de WWB, welke in 2009 werd ingetrokken vanwege detentie. Na een onderzoek van de sociale recherche naar mogelijke betrokkenheid bij drugshandel en onrechtmatige inkomsten uit autohandel, trok het college de bijstand deels in en vorderde terugbetalingen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de autohandel slechts geringe waarde had, dat contante geldstortingen voortkwamen uit opname en terugstorting van bijstandsgelden, en ontkende betrokkenheid bij drugshandel. Tevens stelde hij dat het college niet had onderzocht of hij recht had op aanvullende bijstand.
De Raad oordeelde dat appellant inkomsten uit autotransacties had verworven of redelijkerwijs had kunnen verwerven, en dat de betrokkenheid bij drugshandel voldoende was onderbouwd. De contante stortingen werden als inkomen aangemerkt omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat deze uit bijstandsgelden kwamen. Door het niet melden van deze feiten had appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De subsidiaire stelling van appellant dat het college aanvullend recht op bijstand had moeten vaststellen, werd verworpen omdat het aan appellant was om dit aannemelijk te maken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.