Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een Nigeriaanse vrouw zonder geldige verblijfsvergunning, vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college wees de aanvraag af omdat zij niet over een geldige verblijfstitel beschikt, wat volgens artikel 11 WWB Pro toekenning van bijstand uitsluit.
Appellante voerde aan dat haar privé- en familieleven niet gegarandeerd is en dat op grond van artikel 8 EVRM Pro een aanvullende oplossing via de WWB noodzakelijk is. De rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep verwierpen dit betoog, stellende dat de geboden opvang onder een bed-bad-broodregeling en de verstrekte leefgeldvoorziening voldoende zijn en dat het EVRM geen recht op bijstand verschaft in deze situatie.
De Raad benadrukte dat de wetgever de categorieën vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel expliciet buiten de hardheidsclausule van de WWB heeft geplaatst, en dat eventuele positieve verplichtingen uit het EVRM ten aanzien van deze groep door andere bestuursorganen, zoals het COA, moeten worden nagekomen.
Het beroep op het non-discriminatiebeginsel van artikel 14 EVRM Pro en op het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind slaagde eveneens niet. Ook het argument dat appellante inmiddels rechtmatig verblijft werd verworpen vanwege eerdere vernietigende uitspraken van de Hoge Raad.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens ontbreken van een geldige verblijfstitel wordt bevestigd ondanks het beroep op artikel 8 EVRM.