Uitspraak
OVERWEGINGEN
17 november 1992 met ingang van 1 februari 1992 een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een Spaanse nationaliteit dragende persoon, had een toeslag ontvangen op grond van de Toeslagenwet (TW) die werd afgebouwd en uiteindelijk beëindigd omdat hij de WAO-uitkering verloor per 1 mei 2009. Hij diende een nieuwe aanvraag in voor toeslag vanaf 20 mei 2009, maar dit werd afgewezen omdat hij vanaf 1 mei 2009 geen recht meer had op toeslag.
De rechtbank oordeelde dat een nieuwe aanvraag na beëindiging van het recht op toeslag geen herhaalde aanvraag is, maar dat de aanvraag inhoudelijk beoordeeld moet worden. De terugwerkende kracht van één jaar zoals in artikel 11, zevende lid, TW is niet van toepassing na het einde van het recht. Het verzoek om terug te komen op het besluit tot beëindiging werd afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat er geen nieuwe feiten waren.
In hoger beroep stelde appellant dat het besluit in strijd was met het gemeenschapsrecht en het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar eerdere uitspraken. De Raad bevestigde dat artikel 4:6 Awb Pro ook geldt voor duuraanspraken op grond van het gemeenschapsrecht en dat het doeltreffendheidsbeginsel dit niet verhindert. Wel constateerde de Raad dat het UWV het besluit onvoldoende had gemotiveerd, vooral ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel in vergelijking met andere toeslaggerechtigden. De Raad droeg het UWV op het besluit binnen zes weken te herzien en beter te motiveren.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over het terugkomen op de beëindiging van de toeslag binnen zes weken te herzien en beter te motiveren.