ECLI:NL:CRVB:2013:1476

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2013
Publicatiedatum
21 augustus 2013
Zaaknummer
11-4920 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbWet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens vermogen tot werken boven 75% minimumloon

Appellant vroeg een uitkering op grond van de Wet Wajong wegens psychische klachten en een autisme spectrum stoornis. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant volgens medisch en arbeidskundig onderzoek in staat is meer dan 75% van het minimumloon te verdienen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij de medische beoordeling niet had betwist en het arbeidsverleden volgens de arbeidsdeskundige aantoonde dat appellant kon werken zonder excessief verzuim. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij structureel niet fulltime kon werken en verzocht om schadevergoeding.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden van appellant in hoger beroep een herhaling waren van eerdere bezwaren en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De medische informatie bevestigde de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst, zonder extra beperkingen.

Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens geweigerd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarmee de Wajong-uitkering definitief werd geweigerd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de Wajong-uitkering geweigerd omdat appellant kan werken en meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/4920 WAJONG
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2011, 11/358 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op de nadere stukken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. In de Braekt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in 1980], heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) wegens psychische klachten. De aanvraag is op 3 maart 2010 door het Uwv ontvangen.
1.2. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 7 juli 2010 aan appellant meegedeeld dat hij geen uitkering op grond van de Wet Wajong krijgt, omdat hij kan werken en daarmee meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen.
1.3. Bij besluit van 15 december 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 juli 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen de rapporten van een bezwaarverzekeringsarts van 6 september 2010, en van een bezwaararbeidsdeskundige van 13 december 2010 ten grondslag.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat appellant de (herziene) Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 september 2010 niet heeft betwist en dat er dan ook onvoldoende aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat het beroep zich toespitst op de vraag of uit het arbeidsverleden van appellant wel of niet kan worden afgeleid of hij meer dan 75% van het maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord en daartoe de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapport van 13 december 2010 onderschreven.
3.
In hoger beroep heeft appellant (samengevat) aangevoerd dat hij bekend is met een autistische stoornis en dat uit zijn arbeidsverleden blijkt dat hij niet in staat is gebleken om structureel fulltime te werken en daarmee 75% van het minimumloon te verwerven. Om die reden behoort hij wel tot de doelgroep van de Wet Wajong. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.
De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De gronden die appellant heeft aangevoerd in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van de gronden van het beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze niet kunnen slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
4.2.
De in hoger beroep overgelegde verklaringen van (vroegere) werkgevers van appellant brengen de Raad niet tot een andersluidend oordeel. De bezwaararbeidsdeskundige kan worden gevolgd in diens rapporten van 26 oktober 2011 en 16 november 2011, waarin hij in reactie op de overgelegde verklaringen (samengevat) te kennen heeft gegeven dat appellant in staat is gebleken gedurende meerdere jaren arbeid te verrichten bij achtereenvolgend: de politie (deels naast de door hem gevolgde en succesvol afgeronde HBO opleiding wiskunde), Talent & Pro en SNS Reaal, zonder dat daarbij sprake was van aantoonbaar excessief verzuim. Niet gebleken is dat de arbeidsovereenkomsten van appellant zijn beëindigd wegens disfunctioneren.
4.3.
Aan de bij brief van 26 juni 2013 door appellant overgelegde brief van psychiater
S. Vothknecht van 28 november 2011 en het rapport Autisme onderzoek van GZ-psycholoog drs. M.J. Spaans van 29 januari 2010, kan niet de betekenis worden verbonden die appellant daaraan wenst toe te kennen nu de daarin gestelde diagnose dat bij appellant sprake is van een autisme spectrum stoornis, niet door de (bezwaar)verzekeringsartsen is bestreden en is betrokken bij hun beoordeling. Uit de in hoger beroep overgelegde medische informatie blijkt niet dat bij appellant meer beperkingen moeten worden aangenomen dan in de FML van
6 september 2010 zijn vastgesteld.
4.4.
Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en
J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) S. Aaliouli
sg