ECLI:NL:CRVB:2013:1613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig fietsenmaker, meldde zich ziek vanwege buikklachten en vermoeidheid. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering. De bezwaarverzekeringsarts onderschreef dit oordeel, waarbij de vermoeidheidsklachten en fysieke beperkingen voldoende waren meegewogen en geen urenbeperking noodzakelijk werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond geen reden om het oordeel van het UWV te betwijfelen. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij volledig arbeidsongeschikt was, onder meer door het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), en dat het Protocol CVS niet juist was toegepast. Hij overhandigde medische rapporten ter onderbouwing.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV juist was, dat protocollen slechts hulpmiddelen zijn en dat er geen objectieve medische aanwijzingen waren voor verdere beperkingen. De functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd, werden passend geacht, mede omdat appellant zijn werkplek kon verlaten voor toiletbezoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.