Appellanten, geboren in Beiroet, Libanon, kwamen in 2006 naar Nederland en kregen een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd pas in mei 2011. Voor die tijd werden hun aanvragen voor algemene bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag afgewezen omdat zij niet tot de kring van rechthebbenden volgens artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB behoorden.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellanten voerden aan dat het niet verstrekken van bijstand in strijd was met menselijke waardigheid en dat zij vanwege hun stateloze status niet konden worden uitgezet, waardoor zij recht zouden moeten hebben op bijstand. Het college stelde dat appellanten vrijwillig het uitzetcentrum hadden verlaten en dat zij geen aanspraak konden maken op maatschappelijke opvang of bijstand.
De Raad oordeelde dat appellanten als niet-vreemdelingen in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB vielen onder artikel 16, tweede lid, waardoor zij geen recht hadden op bijstand, ook niet uit hoofde van zeer dringende redenen. De verblijfsvergunning vanaf mei 2011 veranderde hier niets aan. Het hoger beroep werd afgewezen en het beroep tegen een tweede uitspraak niet-ontvankelijk verklaard, met terugbetaling van het griffierecht.