ECLI:NL:CRVB:2013:1671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning als vervolgde en uitkering op grond van Wuv wegens ontbreken interneringsbewijs
Appellant heeft een aanvraag ingediend om erkend te worden als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en daarmee in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering. Hij stelde dat hij samen met zijn oudere broer tijdens de Japanse bezetting in het Halimoenkamp geïnterneerd was geweest. Deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen wegens gebrek aan bewijs.
Na vernietiging van het eerdere besluit door de Raad werd een nader onderzoek ingesteld, waarbij ook getuigen werden benaderd. Dit onderzoek leverde echter geen objectieve bevestiging op van de internering van appellant. De verklaring van de schoonzuster van appellant berustte niet op eigen waarneming en andere verklaringen, waaronder die van familieleden, ondersteunden de stelling niet voldoende.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit om de aanvraag af te wijzen in stand blijft en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van internering in het Halimoenkamp.