ECLI:NL:CRVB:2013:1687

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2013
Publicatiedatum
5 september 2013
Zaaknummer
12-6236 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EEG) nr. 1408/71ZorgverzekeringswetRegeling Zorgverzekering
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vermindering buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet 2009

Appellant, geboren in 1932, woont afwisselend in Duitsland en Spanje en ontvangt een AOW- en pensioenuitkering. Op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is hij als verdragsgerechtigde aangemerkt en is een buitenlandbijdrage vastgesteld die gerelateerd is aan de zorgkosten in het woonland. Cvz heeft de buitenlandbijdrage over 2009 vastgesteld op €1.154,22, waarvan appellant nog €496,22 moet betalen.

Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en verzocht om vermindering vanwege zijn lage inkomen van €658 per maand. Cvz wees het bezwaar af omdat de Zvw geen mogelijkheid biedt tot vermindering of kwijtschelding van de buitenlandbijdrage, maar wel een betalingsregeling trof. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de bepalingen in de Zvw en de Regeling Zorgverzekering dwingendrechtelijk zijn.

In hoger beroep heeft appellant zijn financiële situatie benadrukt, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat de Zvw en de Regeling dwingendrechtelijk zijn en dat Cvz niet kan afwijken van de regels. Er is geen grond voor vermindering of kwijtschelding. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: De buitenlandbijdrage over 2009 wordt niet verminderd of kwijtgescholden; het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/6236 ZVW
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
17 oktober 2012, 12/2658 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te[woonplaats] te Spanje (appellant)
het College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Cvz heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2013. Appellant is niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren 1932, woont afwisselend in Duitsland en Spanje en ontvangt een pensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) en een pensioen van Stichting Pensioenfonds ABP.
1.2.
Met ingang van 1 januari 2006 is in Nederland de Zorgverzekeringswet (Zvw) in werking getreden. Ingevolge de Zvw is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde in de zin van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) aangemerkt en heeft hij recht op zorg in het woonland (Duitsland of Spanje) ten laste van het pensioenland (Nederland). Voor dit recht op zorg is een bijdrage (buitenlandbijdrage) verschuldigd. De hoogte van de buitenlandbijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde zorgkosten in het woonland gedeeld door de gemiddelde uitgaven voor zorg per verzekerde in Nederland (woonlandfactor). Appellant heeft zich met een E-121 formulier ingeschreven bij het Duitse ziekenfonds (Barmer Ersatzkasse). Dit orgaan heeft op 17 november 1998 op het formulier 121 van 5 oktober 1998 bevestigd dat appellant recht heeft op medische zorg in Duitsland vanaf 17 september 1998 ten laste van Nederland.
1.3.
Bij besluit van 11 december 2011 heeft Cvz aan appellant de definitieve jaarafrekening over 2009 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage is vastgesteld op een bedrag van
€ 1.154,22. Appellant dient nog een bedrag van € 496,22 te betalen.
1.4.
Bij besluit van 24 april 2012 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 december 2011 ongegrond verklaard. Cvz heeft zich op het standpunt gesteld dat de Zvw niet voorziet in een mogelijkheid tot vermindering of kwijtschelding van de buitenlandbijdrage. Wel wordt een betalingsregeling met appellant getroffen.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bepalingen in de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling Zorgverzekering (Regeling) dwingendrechtelijk van aard zijn, zodat Cvz daarvan in beginsel niet kan afwijken. Niet gebleken is dat strikte toepassing van de dwingendrechtelijke regelgeving zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing van die regelgeving geen rechtsplicht kan opleveren.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij nogmaals benadrukt dat hij 80 jaar oud is en moet leven van een inkomen van € 658,- per maand, zodat hij niet in staat is de vastgestelde buitenlandbijdrage over 2009 te voldoen.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de Zvw en de Regeling, waarin nadere regels ten aanzien van de vaststelling van de buitenlandbijdrage zijn neergelegd, van dwingendrechtelijke aard zijn, zodat Cvz niet kan afwijken van deze regels.
4.2.
De regels bieden geen mogelijkheid voor Cvz om de bijdrage te matigen of kwijt te schelden op de door appellant in hoger beroep genoemde gronden als weergegeven in 3. Het beroep van appellant slaagt daarom niet.
4.3.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2013.
(getekend) J. Brand
(getekend) Z. Karekezi
JvC