Betrokkene ontving sinds 2000 bijstand en stond ingeschreven op een adres te [woonplaats]. Na een melding dat betrokkene mogelijk niet op dat adres woonde maar bij de vader van haar jongste kind, voerde de gemeente Rotterdam een onderzoek uit. Dit leidde tot intrekking van bijstand en terugvordering van kosten over de periode 2008-2010 wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank vernietigde deze besluiten omdat de onderzoeksbevindingen onvoldoende waren om niet-woonachtigheid aan te nemen. De Raad herzag dit oordeel en stelde vast dat het extreem lage water-, gas- en elektriciteitsverbruik, gecombineerd met bevindingen tijdens een huisbezoek (zoals afwezigheid van speelgoed, persoonlijke verzorgingsartikelen en een kapotte koelkast), een toereikende grondslag vormden om te concluderen dat betrokkene niet op het opgegeven adres woonde.
De Raad oordeelde dat de intrekking terecht was voor de periode van 9 februari 2008 tot 15 december 2010, maar niet voor de periode van 15 januari tot 8 februari 2008, omdat toen een huisbezoek aantoonde dat betrokkene wel woonde op het adres. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak voor zover die de rechtsgevolgen van de besluiten niet in stand liet en bepaalde dat de intrekking en terugvordering over de genoemde periode in stand blijven, met uitzondering van de korte periode in januari-februari 2008.
De gemeente werd veroordeeld in de proceskosten en opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.