ECLI:NL:CRVB:2013:1727
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.S. van der Kolk
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies bevestigd
Appellante, voormalig administratief medewerkster, viel uit wegens klachten aan nek, schouders, armen en polsen. Na een periode zonder recht op WIA-uitkering, ontving zij een Ziektewetuitkering wegens een breuk aan de linkerpols. Het UWV beëindigde deze uitkering per 12 september 2011, omdat zij weer geschikt werd geacht voor één of meer functies binnen de Wet WIA.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel, waarbij zij het verzekeringskundig onderzoek en medische informatie van appellante zorgvuldig beoordeelde. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten dat haar belastbaarheid werd overschat en dat haar gezondheidssituatie verslechterd was.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het UWV. Nieuwe medische stukken, waaronder een rapport van een orthopedisch chirurg en een brief van de huisarts, gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. De Raad concludeerde dat appellante op de datum in geschil geschikt was voor arbeid en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 september 2013.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellante geschikt is voor arbeid.