ECLI:NL:CRVB:2013:1840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te hoog ontvangen WW-voorschot bij startende zelfstandige
Appellant ontving vanaf april 2006 een WW-uitkering en kreeg toestemming om met behoud van deze uitkering werkzaamheden te verrichten in zijn eigen bedrijf. Tijdens de startperiode werd de WW-uitkering als voorschot betaald, waarbij 70% van de inkomsten als zelfstandige in mindering werden gebracht. Na afloop van deze periode heeft het UWV vastgesteld dat appellant een te hoog voorschot had ontvangen en heeft een bedrag van €6.283,50 teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering en voerde aan dat de berekeningswijze onjuist was en dat hij verkeerd was voorgelicht over de verrekening van zijn inkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het UWV de inkomsten correct heeft berekend volgens het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW en dat er geen sprake is van onjuiste voorlichting. Daarom wordt het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van €6.283,50 wordt bevestigd.