Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:1847

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 september 2013
Publicatiedatum
25 september 2013
Zaaknummer
12-302 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsongeschiktheid en uitkeringsrecht op grond van de Wet WIA

Appellant, werkzaam als administrateur/boekhouder, viel uit wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling, waarbij de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) als juist werd beschouwd.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn klachten, waaronder hevige woedeaanvallen, onvoldoende werden meegewogen. Hij betwistte ook het gebruik van gegevens van zijn behandelaars van PsyQ vanwege een vertrouwensbreuk.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was uitgevoerd en dat de FML correct was vastgesteld. Appellant overlegde geen nieuwe medische gegevens die een hogere mate van beperkingen zouden aantonen. De Raad vond geen aanleiding tot het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.

De Raad bevestigde dat de voorgehouden functies medisch passend zijn en dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht onder de 35% is vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Uitspraak

12/302 WIA
Datum uitspraak: 25 september 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
8 december 2011, 11/1310 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.M. Breevoort, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 augustus 2013. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als administrateur/boekhouder voor 24 uur per week, toen hij op 17 november 2008 vanwege psychische klachten voor die werkzaamheden uitviel. Bij besluit van 22 november 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van
15 november 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), aangezien hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
1.2. Bij besluit van 17 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 november 2010 ongegrond verklaard op de grond dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden in voor hem passende functies. Daaraan zijn ten grondslag gelegd het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 31 januari 2011 en het rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 3 februari 2011.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.1.
De rechtbank heeft, mede gelet op de wijze waarop de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hun standpunten hebben weergegeven, geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hiervan uitgaande heeft de rechtbank geen reden gehad om te twijfelen aan de juistheid van de bij het onderzoek van 28 september 2010 vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsarts heeft beperkingen aangenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. De bezwaarverzekeringsarts heeft de visie van de verzekeringsarts gevolgd en was van oordeel dat die visie werd bevestigd door de opgevraagde aanvullende informatie van PsyQ. Bovendien was de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat de gestelde diagnose door de psychiater en de systeemtherapeut niet in overeenstemming was met de zeer ernstige problematiek die appellant heeft geschetst. De rechtbank was van oordeel dat niet gebleken is dat er op de datum in geding bij appellant sprake was van meer objectief vast te stellen beperkingen dan verweerder heeft aangenomen.
2.2.
De rechtbank heeft ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Haar was niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt. Volgens de rechtbank gaf vergelijking van het inkomen dat appellant in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, een verlies aan verdienvermogen van 24,64%. Daarmee is volgens haar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant door het Uwv terecht bepaald op minder dan 35%.
3.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van onzorgvuldig medisch onderzoek en dat onvoldoende rekening is gehouden met de bij hem bestaande klachten. Volgens appellant zijn bij die beoordeling ten onrechte de gegevens van zijn toenmalige behandelaars van PsyQ betrokken. Die gegevens bevatten volgens hem geen juiste conclusie en er is - destijds - een vertrouwensbreuk met zijn behandelaars ontstaan. Appellant blijft erbij dat hij psychisch niet in staat is om werkzaamheden te verrichten en meent dat zijn heftige woedeaanvallen - zoals ook de aanval die hij ter zitting van de rechtbank heeft gehad - voor de rechtbank reden hadden moeten zijn om een onafhankelijk deskundige in te schakelen.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie uit de behandelend sector op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat daarover gemotiveerd en op inzichtelijke wijze is gerapporteerd.
4.2.
De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de FML. De Raad onderschrijft de aan dat oordeel ten grondslag liggende overwegingen, zoals samengevat weergegeven onder 2.1. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd waaruit moet blijken dat er aanleiding is om te oordelen dat hij op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, meer beperkingen heeft dan zijn neergelegd in de FML. Appellant heeft zijn stelling dat voor hem vanwege zijn ernstige woedeaanvallen meer psychische beperkingen gelden dan door het Uwv per datum in geding is aangenomen, niet onderbouwd. Er wordt dan ook geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een medische deskundige.
4.3.
Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde beperkingen is in de voorhanden zijnde gegevens voldoende steun te vinden voor het oordeel van de rechtbank dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies zijn beperkingen niet te boven gaat en dat deze functies daarmee voor hem in medisch opzicht geschikt zijn te achten.
5.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
6.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013.
(getekend) Ch. Van Voorst
(getekend) D.E.P.M. Bary

HD