ECLI:NL:CRVB:2013:1891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand wegens bezit onroerend goed in Marokko
Appellant, ontvanger van een AOW-uitkering, vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en dieetkosten. Het college van burgemeester en wethouders van Lelystad wees deze aanvragen af omdat appellant onroerend goed in Marokko bezit waarvan de waarde hoger is dan de geldende vermogensgrens van €5.555.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant en zijn echtgenote als duurzaam gescheiden levende echtgenoten moeten worden beschouwd. De waarde van het onroerend goed overschrijdt de vermogensgrens en appellant kan vrijelijk over het onroerend goed beschikken, ook al woont zijn echtgenote in de woning en heeft hij een onderhoudsverplichting.
Appellant stelde in hoger beroep dat de toepassing van de duurzaam gescheiden leefregel een schending van artikel 8 EVRM Pro inhoudt en dat hij niet vrijelijk over het onroerend goed kan beschikken. De Centrale Raad oordeelde dat de regeling een toegestane beperking is en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning niet had kunnen verkopen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijzondere bijstand omdat appellant redelijkerwijs over het onroerend goed in Marokko kon beschikken.