ECLI:NL:CRVB:2011:BV0017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met broer
Appellant ontving bijstand als alleenstaande met toeslag wegens woningdeling. Na een huisbezoek op 6 oktober 2008 constateerden handhavingsambtenaren dat appellant en zijn broer een gezamenlijke huishouding voerden. Het College trok daarop de bijstand met ingang van die datum in. De rechtbank vernietigde dit besluit deels, omdat appellant mocht vertrouwen op voortzetting van de bijstand tot 1 januari 2009.
In hoger beroep betoogde appellant dat geen gezamenlijke huishouding bestond en dat intrekking in strijd was met het vertrouwensbeginsel en het recht op familieleven (art. 8 EVRM Pro). De Raad stelde vast dat aan de criteria van gezamenlijke huishouding was voldaan: zij woonden samen, deelden zorg en kosten, en de financiële bijdrage van de broer was geen zakelijke huur maar een bijdrage aan de gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelde dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet werd geschonden, mede omdat de rechtbank een redelijke overgangstermijn had bepaald. Ook was er geen schending van artikel 8 EVRM Pro, aangezien de beperking wettelijk was voorzien en noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding met broer wordt bevestigd zonder schending van vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel.