ECLI:NL:CRVB:2013:1901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opschorting en intrekking bijstand wegens niet-naleven oproepen DWI
Appellant ontvangt sinds 2008 bijstand en werd in juni 2010 opgeroepen door de Dienst Werk en Inkomen (DWI) voor een periodiek heronderzoek. Na niet te zijn verschenen op de oproepen van 11 en 14 juni 2010, werd zijn bijstand eerst opgeschort en vervolgens ingetrokken door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Appellant voerde aan dat de termijnen onredelijk kort waren en dat de maatregel een inbreuk maakte op zijn eigendomsrecht onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de termijnen niet onredelijk kort waren en dat appellant zelf nalatig was in het tijdig reageren, mede doordat hij tijdens de oproepen afwezig was zonder dit te melden. Er was geen sprake van disproportionaliteit of een excessieve last die het eigendomsrecht zou schenden.
Het college had bovendien aangegeven dat indien appellant tijdig contact had opgenomen, hem nog een hersteltermijn zou zijn gegund. De Raad concludeert dat het college bevoegd en redelijk heeft gehandeld door de bijstand op te schorten en in te trekken. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente wordt eveneens geweigerd.
Uitkomst: De opschorting en intrekking van de bijstand worden bevestigd wegens het niet tijdig gehoor geven aan oproepen.