ECLI:NL:CRVB:2010:BL2155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens ontbreken verblijfstitel niet in strijd met Europees eigendomsrecht
Appellant, een persoon met de Marokkaanse nationaliteit, ontving sinds 1997 een bijstandsuitkering. Na afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning om humanitaire of medische redenen en bevestiging daarvan door de rechtbank, werd zijn bijstand per 19 april 2007 beëindigd omdat hij niet langer werd toegelaten tot Nederland en niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de beëindiging van zijn bijstand in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, dat het eigendomsrecht beschermt. De Raad oordeelde dat het onderscheid op grond van het ontbreken van een verblijfstitel gerechtvaardigd is en dat de beëindiging van de uitkering geen individuele en buitensporige last oplevert.
De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Moskal versus Polen, waarin werd benadrukt dat beëindiging van uitkeringen aan wettelijke vereisten moet voldoen en proportioneel moet zijn. Omdat appellant sinds december 2004 geen recht meer had op bijstand en er geen bijzondere omstandigheden waren, werd het beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de bijstandsuitkering omdat appellant niet meer voldoet aan de voorwaarden en geen disproportionele last wordt opgelegd.