ECLI:NL:CRVB:2013:1964
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing WIJ-aanvraag wegens onvoldoende motivering woonplaats
Appellant, geboren in 1987, ontving eerder een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) en woonde toen bij zijn moeder. Na een geweldsincident en daaropvolgende detentie en opname, verbleef hij tijdelijk bij zijn oom. Hij vroeg op 7 april 2011 een WIJ-voorziening aan bij de gemeente Amsterdam en gaf als woonadres het adres van zijn oom op. Na een onaangekondigd huisbezoek op 11 mei 2011, waarbij appellant werd aangetroffen en beschikte over een sleutel, weigerde het college de aanvraag wegens onduidelijkheid over zijn woon- en leefsituatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij daadwerkelijk op het opgegeven adres woonde, ondanks het ontbreken van veel persoonlijke spullen vanwege zijn detentie en opname. Hij overhandigde een verklaring van zijn oom en legde uit dat hij post ontving op dat adres. De Raad oordeelde dat appellant aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had en dat het besluit van het college een daadkrachtige motivering ontbeerde.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beval het college een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het college dat de WIJ-aanvraag afwees wordt vernietigd en het college dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.