ECLI:NL:CRVB:2013:2004
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag uitgeprocedeerde asielzoeker ongewenst vreemdeling
Verzoeker, een uitgeprocedeerde asielzoeker die door de Staatssecretaris van Justitie tot ongewenst vreemdeling is verklaard, diende een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Arnhem. Deze aanvraag werd afgewezen omdat verzoeker niet behoort tot de personenkring van de Wet werk en bijstand (WWB) en ook bij zeer dringende redenen geen bijstand kan worden verleend.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd bevestigd dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 11 en Pro artikel 16, tweede lid, van de WWB. Tevens werd het beroep op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verworpen.
In hoger beroep betwist verzoeker dat artikel 16, tweede lid, van de WWB van toepassing is en stelt dat het college wel bijstand moet verlenen. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en het hoger beroep faalt.
De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissing dat uitgeprocedeerde asielzoekers die als ongewenst vreemdeling zijn aangemerkt geen aanspraak maken op bijstand op grond van de WWB, ook niet bij zeer dringende redenen.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van de uitgeprocedeerde asielzoeker als ongewenst vreemdeling wordt afgewezen en het verzoek om voorlopige voorziening wordt geweigerd.