ECLI:NL:CRVB:2012:BV0611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand vreemdeling op grond van WWB ondanks beroep op artikel 8 EVRM
Appellant, een Algerijnse vreemdeling, diende een aanvraag om bijstand in op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze aanvraag werd door het College afgewezen omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef en niet tot de kring der gerechtigden op grond van de WWB behoorde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd overwogen dat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij tot de kwetsbare personen behoorde die bijzondere bescherming genieten onder artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad benadrukte dat de WWB geen positieve verplichting bevat om bijstand te verlenen aan vreemdelingen zoals appellant, ook niet onder de hardheidsclausule, en dat eventuele positieve verplichtingen voortvloeien uit artikel 8 EVRM Pro bij de daarvoor bevoegde bestuursorganen liggen. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en het primaat van de wetgever in het vreemdelingenbeleid.
Het beroep van appellant op artikel 8 EVRM Pro werd in het kader van de WWB niet gehonoreerd. De Raad wees tevens het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.