ECLI:NL:CRVB:2013:2011
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling korting op IOAW-uitkering wegens inkomsten als professioneel rechtsbijstandverlener
Appellant ontvangt sinds 2006 een IOAW-uitkering en verricht werkzaamheden als zelfstandig professioneel rechtsbijstandverlener. Het dagelijks bestuur heeft in 2011 bij de vaststelling van de uitkering rekening gehouden met inkomsten en een fictief inkomen vastgesteld gelijk aan de proceskostenvergoeding, omdat de feitelijke omvang van de werkzaamheden en onkosten niet inzichtelijk waren.
Appellant voerde aan dat de adviescommissie niet objectief was en dat onkosten in mindering gebracht moesten worden op de inkomsten. De Raad oordeelde dat de secretaris van de adviescommissie niet onder het bestuursorgaan valt en dat de werkwijze van de adviescommissie niet in strijd is met de Awb. Tevens kon appellant geen bewijs leveren van gemaakte kosten, waardoor volledige korting op de ontvangen inkomsten terecht was.
Verder werd geoordeeld dat de werkzaamheden als op geld waardeerbare arbeid gelden, ook als geen directe beloning werd ontvangen. Het dagelijks bestuur mocht daarom een forfaitair bedrag als fictief inkomen in mindering brengen. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de korting op de IOAW-uitkering bevestigd.