ECLI:NL:CRVB:2013:2016
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- P.W. van Straalen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-naleving inlichtingenplicht en vermogen in Turkije
Appellanten ontvingen vanaf juni 2007 bijstand op grond van de WWB. Het dagelijks bestuur stelde een onderzoek in naar vermoedelijk bezit van onroerend goed in Turkije, wat werd bevestigd door het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF). Naar aanleiding hiervan werd de bijstand opgeschort en later ingetrokken omdat appellanten niet voldeden aan het verzoek om eigendomsbewijzen te overleggen en omdat de waarde van het onroerend goed het vrij te laten vermogen overschreed.
Appellanten voerden aan dat het onroerend goed deel uitmaakte van onverdeelde erfenissen en dat zij zich hadden ingespannen om de gevraagde gegevens te verkrijgen. De Raad oordeelde dat appellanten hun inlichtingenplicht hadden geschonden door het bezit niet te melden en dat het dagelijks bestuur terecht de bijstand introk. Het onderzoek van het IBF was gebaseerd op openbare kadastergegevens en vormde geen onrechtmatige inbreuk op privacy.
De Raad concludeerde dat het vermogen van appellanten boven de toegestane grens lag vanaf 30 juni 2009 en dat het niet aannemelijk was dat het onroerend goed eerder anders was verdeeld. De opschorting en intrekking van de bijstand waren daarom terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand aan appellanten wordt bevestigd wegens niet-naleving van de inlichtingenplicht en bezit van onroerend goed boven de vermogensgrens.