ECLI:NL:CRVB:2013:2040
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op uitkeringsadres
Appellante ontving sinds 2006 bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. In 2010 meldde een re-integratiebureau dat appellante merendeels bij haar moeder verbleef en dat haar zus de post verzorgde. Dit leidde tot een onderzoek door de gemeente, inclusief een huisbezoek en dossieronderzoek.
Op basis van het onderzoek besloot het college de bijstand vanaf 19 augustus 2010 in te trekken en de kosten over die periode terug te vorderen, omdat appellante niet op het uitkeringsadres woonde en haar inlichtingenverplichting had geschonden. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde.
De Raad beoordeelde de periode van 19 augustus tot en met 13 september 2010 en stelde vast dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellante niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Belangrijke elementen waren haar eigen verklaring dat zij doordeweeks niet thuis verbleef, het huisbezoek waaruit bleek dat het bed ongeschikt was om op te slapen, en het ontbreken van gebruiksindicaties zoals een droge douche en uitgeschakelde apparatuur.
De Raad verwierp het verweer van appellante en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-wonen op het uitkeringsadres.