Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 16,80;
Centrale Raad van Beroep
Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer kende appellante een persoonsgebonden budget (pgb) toe voor huishoudelijke hulp voor de periode van 14 september 2009 tot en met 13 september 2010. Het budget bedroeg € 1.027,20. Het college vroeg tussentijds een verantwoording van de uitgaven, waarop appellante had voldaan. Vervolgens werd een terugvordering van € 301,70 opgelegd omdat slechts € 725,50 verantwoord was.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat tussentijdse afrekening mogelijk was. Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat op grond van artikel 6, vijfde lid, van de Wmo Verordening Zoetermeer de verantwoording pas na afloop van de pgb-periode moet plaatsvinden. Omdat de toekenning liep tot 13 september 2010, was een afrekening na het kalenderjaar 2009 te vroeg. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en het terugvorderingsbesluit van het college. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van het pgb wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.