ECLI:NL:CRVB:2013:2081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over dagloonberekening voor loongerelateerde WGA-uitkering
Appellant vroeg een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van het loon dat appellant daadwerkelijk in het refertejaar heeft genoten. Appellant betwistte dit en stelde dat bepaalde loonbestanddelen, waaronder een ploegentoeslag, ten onrechte niet waren meegenomen omdat deze wel vorderbaar maar niet inbaar zouden zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat de ploegentoeslag in het refertejaar vorderbaar maar niet inbaar was. In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV bij de berekening van het dagloon geen rekening hield met loonbestanddelen die wel werden meegenomen bij de faillissementsuitkering volgens de WW.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het uitgangspunt bij de dagloonvaststelling het daadwerkelijk genoten loon is, tenzij appellant kan aantonen dat loon vorderbaar maar niet inbaar was. Appellant slaagde er niet in te bewijzen dat hij de werkgever op duidelijke wijze had gemaand tot betaling van het vorderbare loon in het refertejaar. Een brief van het Juridisch Loket betrof een latere periode en kon niet bijdragen aan het bewijs.
Daarom was het UWV terecht uitgegaan van het daadwerkelijk genoten loon. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV over de dagloonberekening wordt bevestigd.