ECLI:NL:CRVB:2013:2097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen UWV-besluit over recht op WAO-uitkering en dagloonvaststelling
Appellante vroeg met terugwerkende kracht een WAO-uitkering aan per 8 januari 2010. Het UWV stelde bij besluit van 22 november 2010 vast dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering bestond. Dit werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank.
Het UWV herzag dit besluit op 4 juni 2012 en kende alsnog recht toe op WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, gebaseerd op een maatmanuurloon van €10,55 en een dagloon van €30,98. Appellante beperkte haar hoger beroep tot de juistheid van het vastgestelde dagloon.
De Raad oordeelde dat het uurloon van €10,99 dat appellante aanvoerde niet relevant was voor de peildatum 8 januari 2009. Het juiste geïndexeerde uurloon was €10,74, maar dit leidde niet tot een hoger dagloon dan vastgesteld. Het beroep tegen het besluit van 4 juni 2012 werd daarom ongegrond verklaard.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit van 8 februari 2011, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten van €2.593,78 en het griffierecht van €153,- aan appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit dat geen recht gaf op WAO-uitkering wordt gegrond verklaard, het beroep tegen de hoogte van het dagloon ongegrond.