ECLI:NL:CRVB:2013:2133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar de gemeente stelde na onderzoek vast dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding voerde vanaf 1 januari 2006 tot en met 24 mei 2011. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van €86.190,32.
De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf van appellant in de woning van appellante was, ondanks dat hij officieel op een ander adres stond ingeschreven. De verklaringen en observaties bevestigden dat zij zorg droegen voor elkaar en een gezamenlijke huishouding voerden, zoals bedoeld in de WWB.
De schending van de inlichtingenverplichting door appellante was daarmee vastgesteld. De commissie was bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. Dringende redenen om hiervan af te zien werden niet aannemelijk gemaakt.
De Raad verwierp de beroepen van appellanten en bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Breda. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenverplichting.