ECLI:NL:CRVB:2013:2145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding
Appellante vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het college wees de aanvraag af omdat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren met K. Dit was gebaseerd op onderzoek en een rapportage van het team fraudecontrole.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante het bestaan van een gezamenlijke huishouding, met name het criterium van wederzijdse zorg. Zij stelde dat haar verklaring onjuist was weergegeven en dat sprake was van zelfstandige huishoudens of een kostgangersrelatie.
De Raad oordeelde dat appellante en K. hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat de onderzoeksbevindingen voldoende aantonen dat er sprake was van wederzijdse zorg, onder meer door financiële verstrengeling en gezamenlijke huishoudelijke taken. De bijdrage van € 50,- werd niet als zakelijke vergoeding gezien.
De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van zelfstandige huishoudens of een kostgangersrelatie. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met K.