Betrokkene was vanaf 1 juli 2004 werkzaam bij het ministerie van Defensie, aanvankelijk op uitzendbasis, vervolgens in een reeks tijdelijke dienstverbanden met tussenpozen van uitzendwerk. Bij besluit van 3 juni 2011 is aan betrokkene eervol ontslag verleend wegens het verstrijken van de aanstellingsperiode. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd en geoordeeld dat betrokkene vanaf 1 april 2008 een vaste aanstelling heeft.
De Raad bevestigt deze uitspraak en overweegt dat de tussenliggende uitzendperiode mee moet tellen in de reeks van tijdelijke aanstellingen, ondanks dat het BARD geen expliciete regeling kent zoals het ARAR. De Raad stelt dat het volgen van appellant in zijn standpunt zou leiden tot een onredelijke uitkomst waarbij tijdelijke aanstellingen steeds kunnen worden afgewisseld met uitzendwerk om vaste aanstelling te voorkomen.
De Raad concludeert dat betrokkene op grond van artikel 7, achtste lid, onder b, van het BARD aan de voorwaarden voor een vaste aanstelling heeft voldaan. Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de proceskosten worden aan appellant opgelegd.