ECLI:NL:CRVB:2013:2210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.E. Bakker
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken concreet procesbelang bij weigering WIA-uitkering
Belanghebbende was als loonadministratrice in deeltijd werkzaam bij appellante en viel wegens psychische klachten uit. Het UWV stelde vast dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, waardoor een loonsanctie werd opgelegd. Daarnaast werd aan belanghebbende geen recht op WIA-uitkering toegekend omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Appellante maakte bezwaar tegen de weigering van de WIA-uitkering, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat belanghebbende ten onrechte als arbeidsongeschikt werd beschouwd, verwijzend naar de arbodienst die haar arbeidsongeschikt achtte.
De Raad overwoog dat het enkele feit dat appellante als werkgeefster een zogenoemd categoraal belanghebbende is, niet betekent dat zij een concreet belang heeft bij het hoger beroep. Het procesbelang van appellante was gericht op de loonsanctie, die losstaat van het besluit tot weigering van de WIA-uitkering. Bovendien was het loonsanctiebesluit inmiddels onaantastbaar geworden. Gezien het ontbreken van een concreet procesbelang werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een concreet procesbelang.