ECLI:NL:CRVB:2013:2222
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen naar gehuwdenpensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1998 een AOW-pensioen voor een ongehuwde. Na een huisbezoek in 2010 concludeerde de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat appellant en medebewoner sinds maart 2009 een gezamenlijke huishouding voeren, wat leidde tot herziening van het pensioen naar een gehuwdenpensioen en terugvordering van te veel ontvangen bedragen.
Appellant stelde dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en betwistte de herziening. De Raad toetste aan de wettelijke criteria voor gezamenlijke huishouding, waarbij het hoofdverblijf en de wederzijdse zorg centraal staan. Uit de checklist en het huisbezoek bleek dat zij dagelijks samen aten, elkaar verzorgden bij ziekte, gezamenlijke huishoudelijke taken verrichtten en de huurprijs niet commercieel werd aangepast.
De Raad oordeelde dat de wederzijdse zorg niet incidenteel was en dat de commerciële relatie werd overstegen. Daarom werd het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van het AOW-pensioen naar een gehuwdenpensioen bevestigd.