Eiser voerde aan dat hij geen gezamenlijke huishouding voert met de andere persoon en dat hun relatie commercieel is, waardoor hij recht zou hebben op AOW-pensioen naar de norm voor alleenstaanden. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had zijn pensioen per 1 augustus 2001 herzien naar de norm voor gehuwden/samenwonenden en een bedrag van €19.062,93 teruggevorderd wegens te veel ontvangen pensioen.
De rechtbank beoordeelde aan de hand van de wettelijke criteria of sprake is van een gezamenlijke huishouding, waarbij het eerste criterium het hoofdverblijf in dezelfde woning betreft en het tweede criterium wederzijdse zorg. Uit het onderzoek, inclusief huisbezoek en ingevulde formulieren, bleek dat eiser en de andere persoon een gezamenlijke huishoudpot en bankrekeningtoegang delen, gezamenlijke kosten verrekenen en ook op sociaal vlak een verbondenheid tonen die verder gaat dan een commerciële relatie.
De rechtbank oordeelde dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat de herziening van het AOW-pensioen correct was. Hoewel de Svb het besluit acht maanden na het huisbezoek nam, was dit niet onrechtmatig. Ook was er geen sprake van dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.