Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:2264

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2013
Publicatiedatum
30 oktober 2013
Zaaknummer
12-5002 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als callcentermedewerkster, meldde zich in mei 2006 ziek vanwege rugklachten. Het UWV stelde in april 2008 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd gehandhaafd in 2010 en door de rechtbank bevestigd in 2012.

In mei 2010 meldde appellante een toename van haar arbeidsongeschiktheid wegens verslechterde gezondheid. Het UWV weigerde opnieuw een WIA-uitkering toe te kennen, omdat er geen sprake was van een toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak zoals bedoeld in artikel 55 van Pro de Wet WIA. Dit werd bevestigd na bezwaar en door de rechtbank.

In hoger beroep voerde appellante aan dat het rapport van medisch adviseur Schakel onvoldoende werd meegewogen, maar de Raad oordeelde dat de deskundige Kemperman dit rapport juist had betrokken en dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor een toename van de arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

12/5002 WIA
Datum uitspraak: 30 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
23 juli 2012, 11/374 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2013. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als medewerkster callcenter voor 36 uur per week toen zij zich per 9 mei 2006 ziek meldde wegens rugklachten. Bij besluit van 23 april 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 6 mei 2008 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Dit besluit is uiteindelijk gehandhaafd bij het besluit van 22 april 2010. De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 juli 2012, geregistreerd onder nummer 10/562, het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2. Appellante heeft zich met ingang van mei 2010 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens verslechtering van haar gezondheid. Bij besluit van 22 november 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 1 mei 2010 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.3. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 november 2010, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts, bij besluit van 23 maart 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van 11 oktober 2011 van de door de rechtbank in de procedure met nummer 10/562 ingeschakelde deskundige psychiater/neuroloog C.J.F. Kemperman.
3.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank en het Uwv ten onrechte voorbij zijn gegaan aan het rapport van medisch adviseur D.J. Schakel van 29 oktober 2010 die een duidelijk beeld geeft van de medische situatie van appellante op de datum in geding,
1 mei 2010. Appellante heeft benadrukt dat Schakel de visie van de deskundige psychiater/neuroloog Kemperman niet heeft onderschreven.
4.1.
De Raad ziet zich voor de vraag gesteld of het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 1 mei 2010 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat geen sprake is van een toename van haar arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak als bedoeld in artikel 55 van Pro de Wet WIA.
4.2.
Vooropgesteld wordt dat bij appellante op 6 mei 2008 sprake was van chronische aspecifieke rugklachten. Dit is vastgesteld bij onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen, mede op basis van de informatie van neuroloog C. Felisiak waaruit blijkt dat sprake is van lumbago bij bekende degeneratieve veranderingen. Er is volgens Felisiak geen sprake van een HNP of neurologische uitvalsverschijnselen. De door de rechtbank benoemde deskundige Kemperman heeft deze bevindingen onderschreven.
4.3.
Naar aanleiding van haar melding van verslechterde gezondheid met ingang van mei 2010 heeft de verzekeringsarts appellante op het spreekuur van 9 november 2010 onderzocht en daarbij geen duidelijke afwijkingen kunnen vaststellen aan de beweeglijkheid van de rug en aan de gewrichten van de bovenste en onderste extremiteiten. Ook heeft de verzekeringsarts bij het psychisch onderzoek geen evidente psychopathologie kunnen constateren. De verzekeringsarts concludeerde op grond van deze bevindingen dat geen sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak ten opzichte van de beoordeling in 2008.
4.4.
Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts, naar aanleiding van het door appellante ingediende bezwaarschrift, de hoorzitting van 1 februari 2011 bijgewoond en dossieronderzoek verricht. In het rapport van 16 maart 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts het oordeel van de verzekeringsarts onderschreven. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij opgemerkt dat een toename van de beperkingen ook niet valt af te leiden uit de informatie van medisch adviseur Schakel. De klachten die zijn ontstaan tijdens de vakantie in Portugal zijn op zichzelf staand en van tijdelijke aard geweest en hebben geen relatie met de eerdere klachten van appellante.
4.5.
De deskundige Kemperman heeft appellante op 14 september 2011 onderzocht. In zijn uitgebreide rapport heeft de deskundige te kennen gegeven dat de rugklachten weliswaar in 2007 verergerd waren maar dat deze klachten zich nadien herstelden. In 2009 was de medische situatie onveranderd. Op grond van het eigen uitgebreide onderzoek heeft Kemperman vervolgens geconcludeerd dat bij appellante sprake is van al lang bestaande pijnklachten in de onderrug die uitstralen naar het linkerbeen en pijn in de bovenrug die uitstraalt naar de rechterarm. Voor deze klachten zijn geen objectiveerbare neurologische afwijkingen geconstateerd. Ten slotte heeft Kemperman vastgesteld dat de medische situatie van appellante in lijn is met de reeds voorhanden medische informatie op het moment van onderzoek. Met de rechtbank kan worden geoordeeld dat ook uit deze informatie volgt dat op de thans in het geding zijnde datum 1 mei 2010 bij appellante geen sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak als bedoeld in artikel 55 van Pro de
Wet WIA.
4.6.
In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellante haar standpunt in hoger beroep niet met nadere medische gegevens heeft gemotiveerd, waarbij ten slotte van belang wordt geacht dat de deskundige Kemperman het rapport van medisch adviseur Schakel van 29 oktober 2010 bij zijn beoordeling heeft betrokken.
5.
Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en
K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) J.C. Hoogendoorn

TM