ECLI:NL:CRVB:2013:2296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending medewerkingsverplichting bij huisbezoek
Appellant diende op 6 april 2011 een aanvraag om bijstand in, welke werd afgewezen omdat hij een gezamenlijke huishouding voerde en niet als zelfstandig rechtssubject kon worden aangemerkt. Na een nieuwe aanvraag op 10 augustus 2011 startte het college een onderzoek naar zijn woonsituatie. Handhavingsspecialisten probeerden een huisbezoek af te leggen, maar appellant werkte niet mee aan het directe huisbezoek na een gesprek op 19 augustus 2011, waarbij hij aangaf dringend voor zijn zieke moeder te moeten zorgen.
Het college wees de aanvraag af wegens het niet nakomen van de medewerkingsverplichting, waarna de rechtbank dit besluit bevestigde. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel wilde meewerken, maar niet direct vanwege de situatie van zijn moeder.
De Raad oordeelde dat het belang van het college om direct de woonsituatie te verifiëren zwaarwegend is en dat alleen een zeer dringende reden een rechtvaardiging kan vormen voor het niet direct meewerken. De omstandigheden van appellant boden geen bewijs van onverwijlde spoed of dat alleen hij voor zijn moeder kon zorgen. Daarom was de weigering van medewerking verwijtbaar en was het college terecht in het afwijzen van de aanvraag.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens niet-nakoming van de medewerkingsverplichting zonder een zeer dringende reden.