ECLI:NL:CRVB:2013:CA1981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens weigering medewerking huisbezoek
Appellante ontvangt bijstand sinds 1983 en woont zelfstandig, met ondersteuning van haar kinderen. Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage had op basis van concrete feiten twijfels over haar woonsituatie en wilde dit verifiëren via een huisbezoek. Ondanks herhaalde pogingen van gemeenteambtenaren om een huisbezoek af te leggen, werd de deur niet geopend en werd appellante geconfronteerd met tegenstrijdige verklaringen en een hoog waterverbruik.
Tijdens een gesprek op 2 november 2010 weigerde appellante medewerking aan een direct aansluitend huisbezoek, hoewel zij herhaaldelijk werd gewezen op de gevolgen van die weigering. Het college trok daarop haar bijstand in. Bij een later huisbezoek in februari 2011 werd vastgesteld dat twee kamers vrijwel leeg waren. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen de intrekking ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overweegt dat het huisbezoek het aangewezen middel was om de woonsituatie te controleren en dat het belang van het college om direct te controleren zwaarder weegt dan het belang van appellante om zich voor te bereiden, temeer daar geen medische verklaring werd overgelegd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar weigering niet verwijtbaar was, aangezien zij de gevolgen begreep en kalm volhardde in haar weigering.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en blijft de intrekking van de bijstand in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens weigering medewerking aan een direct aansluitend huisbezoek wordt bevestigd.