Appellant werd bij besluit van 5 februari 2010 ontslagen wegens onbekwaamheid voor zijn functie als groepsleerkracht, primair op grond van artikel 4.7, aanhef en onder g, van de CAO Primair Onderwijs, en subsidiair wegens gewichtige redenen. De Raad stelde in een tussenuitspraak vast dat de onbekwaamheid het gevolg was van ziekte en dat het primaire ontslagbesluit daarom niet stand kon houden.
De stichting handhaafde het ontslag op de subsidiaire grond wegens een ernstige verstoring van de arbeidsverhoudingen, waarbij partijen niet tot overeenstemming konden komen over passend werk en beëindiging van het dienstverband. Appellant betwistte dit en stelde dat de stichting onvoldoende had meegewerkt aan zijn re-integratie en hem onder druk had gezet.
De Raad oordeelde dat de stichting bevoegd was het ontslag op de subsidiaire grond te handhaven, omdat sprake was van een impasse die vruchtbare samenwerking verhinderde. Er was geen bewijs van ongeoorloofde druk door de stichting. De stichting had geen overwegend aandeel in het ontstaan van de impasse, zodat geen aanvullende ontslagvergoeding werd toegekend.
Het primaire ontslagbesluit werd vernietigd en herroepen, het subsidiaire ontslagbesluit bleef in stand. Verzoeken van appellant tot schadevergoeding wegens letsel werden afgewezen omdat deze buiten het bestuursrechtelijke kader vielen. De stichting werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.